FAALANGST

Faalangst training voor kinderen


Wat is faalangst

Faalangst is een vorm van angst die opkomt als je iets moet presteren of als je denkt dat je iets moet presteren, terwijl je bang bent dat het niet gaat lukken. Er wordt van Faalangst gesproken als de angst voor mislukken zo groot is dat de prestatie er onder gaat lijden. De verwachte prestatie blijft uit.


Drie vormen van faalangst

Faalangst bestaat uit drie vormen, die elkaar overlappen of tegelijkertijd voorkomen.

Cognitieve faalangst. Angst om slechte leer en denkprestaties te laten zien; 'Net wist ik het nog allemaal'. Het kind is bang voor een negatieve beoordeling hiervan door de leerkracht, ouders, klasgenoten en zichzelf.

Sociale faalangst. Angst om afgewezen of beoordeeld te worden door vrienden, klasgenoten, familie of andere groepen waar het kind bij hoort of wil horen; 'Ze zullen me uitlachen'. Sociale vaardigheden raken dan geblokkeerd waardoor de kans op afwijzing juist toeneemt.

Motorische faalangst. Angst om fouten te maken bij het uitvoeren van lichamelijke handelingen. 'Ik kan niets meer, ik ben helemaal verlamd'. Daardoor raken motorische handelingen verkrampt bijvoorbeeld bij gym of tekenen. Het kind verkrampt door de angst om te mislukken.


Kenmerken van faalangst

Kinderen met faalangst geven allerlei signalen af aan hun omgeving. Dat kunnen in het dagelijks leven andere signalen zijn dan op school. Een aantal kenmerken zijn:


– Grote onzekerheid voelen bij nieuwe opdrachten.

– Buitengewoon veel tijd aan huiswerk besteden.

– Weinig initiatief nemen.

– Veel negatieve opmerkingen maken over anderen/ zichzelf.

– Zeer gevoelig zijn voor kritiek.

– Irreële gedachten hebben: 'Ik mag niet falen. 'Ik mag geen fouten maken'.

                                                                                                                                                             

De faalangsttraining                                                                                                                               

De training is gebaseerd op cognitieve gedragstherapie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vier g's. Deze staan voor gebeurtenis, gedachten, gevoel en gedrag. De gebeurtenis is een vaststaand iets. De gedachten die we hebben bij die gebeurtenis kunnen echter heel verschillend zijn. Juist die gedachten kunnen bepalen welk gevoel en welk gedrag zullen volgen op de gebeurtenis. De cognitieve gedragstherapie is erop gericht om de gedachten te veranderen met als doel gevoel en gedrag positief te beïnvloeden. In de training wordt veelvuldig op een kind gerichte manier bij dit model stilgestaan zodat kinderen zich bewust worden van hun gedachten en gevoelens. Zij leren irreële gedachten, ook wel niet helpende gedachten genoemd, om te buigen in reële, helpende gedachten. Hierbij worden de 'poppetjes' Helper en Bibber als herkenningsfiguren gebruikt.

Helper heeft de vorm van een lampje. Dat wijst erop dat een helpende gedachte ervoor zorgt dat er een lichtje bij je gaat branden; 'ineens weet je weer hoe je verder moet'. Bibber ziet er moedeloos en angstig uit.


De kinderen worden zich tijdens de training ook bewust gemaakt van hun gewoonlijke manier van reageren. Zij leren alternatieven voor hun (vlucht) gedrag aan.

Tevens wordt in de training gebruik gemaakt van ontspanningstechnieken. Angst heeft lichamelijke reacties tot gevolg; spieren gaan trillen of raken verstijfd, de ademhaling stokt of versnelt, de huid reageert door te blozen of te zweten. Kinderen met faalangst leren deze signalen bij zichzelf te herkennen. Daarnaast leren ze zich te ontspannen, om te voorkomen dat de angst te hoog oploopt en zorgt voor blokkades.


De training bestaat uit tien bijeenkomsten en hebben een duidelijke structuur met steeds een aantal vaste elementen. Vaste rituelen zijn belangrijk voor kinderen. Deze geven veiligheid en structuur, en dat is belangrijk tijdens een training waarin best spannende dingen gedaan moeten worden. Iedere bijeenkomst staat er een ander thema centraal bijvoorbeeld: 'Denk jezelf sterk.' Aan de hand van een leergesprek, oefening en/of spel wordt het thema concreet gemaakt. De kinderen gaan interactief met het thema aan de slag. Iedere week krijgen de kinderen een huiswerkopdracht ”klus” mee naar huis om de geleerde vaardigheden in te oefenen. Aan het eind van de bijeenkomsten ontvangen de kinderen een echt diploma.


TEXELSE

ORTHOPEDAGOGISCHE

PRAKTIJK